- Home
- Kennisbank
- Markt & Economie
- Inflatie
Wat is inflatie?
In dit artikel
- Is inflatie slecht?
- Waarom ontstaat inflatie?
- Oorzaken van inflatie: drie typen
- Vraag-pull inflatie (bestedingsinflatie)
- Cost-push inflatie
- Ingebouwde inflatie (loon-prijsspiraal)
- Inflatie meten
- De consumentenprijsindex (CPI)
- De groothandelsprijsindex (WPI) en producentenprijsindex (PPI)
- De formule
- Snelheid van inflatie
- Wie heeft voordeel of last van inflatie?
- Wie er voordeel van kan hebben
- Wie er weinig van merkt
- Wie er last van heeft
- Voor- en nadelen van inflatie
- Hoe wordt inflatie beheerst?
- Hoe gaan beleggers om met inflatie?
- Extreme voorbeelden: hyperinflatie
- Veelgestelde vragen
- Wat veroorzaakt inflatie?
- Is inflatie goed of slecht?
- Wat zijn de gevolgen van inflatie?
Inflatie is de stijging van het algemene prijsniveau van goederen en diensten over een bepaalde periode. Daardoor kun je met hetzelfde bedrag steeds minder kopen: de koopkracht van geld daalt. Er is sprake van inflatie als een product van dezelfde kwaliteit in de toekomst duurder wordt. Het tegenovergestelde is deflatie: de prijzen dalen en de koopkracht van geld neemt toe. Deflatie komt minder vaak voor dan inflatie.
Belangrijkste punten
- Inflatie is de snelheid waarmee de waarde van een munteenheid daalt; het algemene prijsniveau stijgt.
- Er zijn drie typen: vraag-pull inflatie (bestedingsinflatie), cost-push inflatie en ingebouwde inflatie.
- De consumentenprijsindex (CPI) is de bekendste maatstaf; daarnaast bestaan de groothandelsprijsindex (WPI) en de producentenprijsindex (PPI).
- Of inflatie goed of slecht is, hangt af van je positie en van hoe snel de prijzen stijgen.
- Wie bezittingen heeft zoals vastgoed of voorraden, ziet de waarde in euro's met inflatie meestijgen. Wie contant geld of spaargeld aanhoudt, ziet de koopkracht dalen.
- Centrale banken streven doorgaans naar een lage, stabiele inflatie van rond de 2% per jaar.
Is inflatie slecht?
Inflatie is er altijd geweest; producten worden in de loop der tijd duurder. Het wordt een probleem als de inflatie sterk oploopt of slecht voorspelbaar is. Als mensen met hun inkomen hun eerste levensbehoeften niet meer kunnen betalen, ontstaat armoede. Overheden en centrale banken proberen de inflatie daarom binnen de perken te houden. Inflatie wordt uitgedrukt als percentage over een periode, meestal een jaar.
Waarom ontstaat inflatie?
Economen zijn het er grotendeels over eens dat aanhoudende inflatie optreedt wanneer de geldhoeveelheid in een land sneller groeit dan de economie. Het monetarisme verklaart zo de relatie tussen geldhoeveelheid en prijzen. Een historisch voorbeeld: na de Spaanse verovering van het Azteken- en Incarijk stroomden grote hoeveelheden goud en vooral zilver Spanje en de rest van Europa binnen. De geldhoeveelheid steeg snel, de waarde van geld daalde en de prijzen liepen op.
De geldhoeveelheid kan op verschillende manieren groeien:
- door meer geld te creëren (bijvoorbeeld tijdens de coronacrisis);
- door de munt te devalueren;
- doordat de centrale bank staatsobligaties opkoopt en zo nieuw geld in het bankensysteem brengt;
- doordat banken meer leningen, kredieten en hypotheken verstrekken. Als de centrale bank de rente verlaagt, wordt lenen goedkoper, lenen banken meer uit en wordt dat geld uitgegeven, wat de vraag laat stijgen.
Meer geld in omloop heeft ook invloed op wisselkoersen. Neemt de hoeveelheid dollars sterk toe ten opzichte van euro's, dan wordt de dollar minder waard ten opzichte van de euro en worden buitenlandse producten voor Amerikanen duurder. Geld bijdrukken leidt alleen tot inflatie als er meer geld bijkomt dan de economie groeit.
Oorzaken van inflatie: drie typen
Vraag-pull inflatie (bestedingsinflatie)
De prijzen stijgen als de vraag naar producten en diensten sneller toeneemt dan het aanbod. Willen 200 mensen een fiets kopen terwijl er maar 100 worden gemaakt, dan kan de producent meer vragen. Zo'n situatie ontstaat bijvoorbeeld bij herstel na een recessie: de koopkracht en uitgaven van mensen stijgen, terwijl bedrijven hun productie eerder hebben afgeschaald. Ook de verwachting van inflatie kan de vraag aanjagen: mensen kopen liever nu, nu het nog goedkoper is. Andere oorzaken zijn een lagere rente, meer overheidsuitgaven, belastingverlagingen, een groeiende economie, innovatie en een lage werkloosheid.
Cost-push inflatie
De prijzen stijgen omdat de productiekosten stijgen. Bedrijven willen meestal niet inleveren op hun winst en berekenen de hogere kosten door aan hun klanten. Hogere productiekosten kunnen ontstaan door:
- dalende productiviteit;
- stijgende grondstofprijzen;
- verplichte loonstijgingen of krapte op de arbeidsmarkt;
- hogere belastingen voor bedrijven;
- natuurrampen en schaarste aan hulpbronnen.
Als extra geld en krediet naar grondstof- of andere activamarkten stroomt, kunnen de prijzen daar sterk stijgen. Een speculatieve stijging van de olieprijs maakt bijvoorbeeld energie duurder voor bijna alle bedrijven en huishoudens, wat doorwerkt in de consumentenprijzen.
Ingebouwde inflatie (loon-prijsspiraal)
Ingebouwde inflatie hangt samen met verwachtingen: mensen verwachten dat de huidige inflatie aanhoudt. Stijgen de prijzen, dan vragen werknemers hogere lonen om hun levensstandaard te behouden. Hogere lonen verhogen de productiekosten, waarop bedrijven hun prijzen verhogen. Daarop vragen werknemers weer hogere lonen. Deze loon-prijsspiraal houdt de inflatie in stand.
Inflatie meten
Alle prijsveranderingen van alle producten bijhouden is onmogelijk. Daarom wordt een vaste selectie (een "mandje") van goederen en diensten gevolgd en in een index weergegeven.
De consumentenprijsindex (CPI)
De CPI is de bekendste maatstaf. Hij volgt het gewogen gemiddelde van de prijzen van goederen en diensten die een gemiddeld huishouden koopt. Belangrijkere uitgaven wegen zwaarder mee. Omdat huishoudens per land andere dingen kopen, berekent elk land een eigen index. In Nederland gaat het onder meer om:
- eten en drinken;
- huisvestingskosten;
- kleding;
- transport;
- medische zorg;
- recreatie en ontspanning;
- onderwijs;
- overige goederen en diensten.
Veranderingen in de CPI worden gebruikt om de kosten van levensonderhoud te volgen en zijn daarmee een van de belangrijkste statistieken om perioden van inflatie of deflatie te herkennen.
Lees ook: bankrun.
De groothandelsprijsindex (WPI) en producentenprijsindex (PPI)
De WPI meet prijsveranderingen in de fasen vóór de detailhandel, bijvoorbeeld van ruwe katoen tot katoenen garen en kleding. Veel landen gebruiken een vergelijkbare maatstaf: de PPI. Die meet de gemiddelde verandering van de verkoopprijzen die binnenlandse producenten ontvangen, dus vanuit het perspectief van de verkoper, terwijl de CPI kijkt vanuit de koper. In alle indexen kan een prijsstijging van het ene onderdeel (bijvoorbeeld olie) deels worden opgeheven door een daling van een ander (bijvoorbeeld tarwe).
De formule
Met een prijsindex bereken je de inflatie tussen twee momenten:
Inflatie (%) = (CPI eind / CPI begin − 1) × 100
Voorbeeld (VS): stel dat de CPI in september 1975 54,6 was en in september 2018 252,439. Dan is 252,439 / 54,6 = 4,6234. De inflatie over die periode is (4,6234 − 1) × 100 ≈ 362%. Een mandje dat in 1975 $ 10.000 kostte, kostte in 2018 dus ongeveer 4,6234 × $ 10.000 = $ 46.234.
Snelheid van inflatie
Hoe snel de prijzen stijgen, bepaalt vooral of inflatie een probleem is. Gangbaar is deze indeling:
- Kruipende inflatie (tot ongeveer 3% per jaar): stimuleert mensen om nu uit te geven in plaats van te wachten. Lonen kunnen meestal meebewegen, waardoor de koopkracht op peil blijft.
- Lopende inflatie (ongeveer 3 tot 10% per jaar): consumenten gaan sneller kopen omdat ze verwachten dat het duurder wordt, wat de prijzen verder opdrijft. Lonen lopen vaak achter, waardoor de koopkracht daalt.
- Galopperende inflatie (meer dan 10% per jaar): lage en middeninkomens kunnen in de problemen komen.
- Hyperinflatie (50% of meer per maand): prijzen stijgen soms meerdere keren per dag. Mensen gaan hamsteren, wat tot schaarste leidt.
Wie heeft voordeel of last van inflatie?
Wie er voordeel van kan hebben
- Schuldenaren: een lening met een vast bedrag wordt in reële termen kleiner naarmate geld minder waard wordt.
- Bezitters van materiële activa zoals vastgoed, grond of voorraden: de waarde in euro's stijgt vaak mee. Kopers van zulke activa zijn daar juist minder blij mee.
Wie er weinig van merkt
Werknemers van wie het loon even snel stijgt als de inflatie, behouden hun koopkracht.
Wie er last van heeft
- Spaarders: spaargeld wordt minder waard. Wie in tien jaar € 100.000 heeft gespaard, kan daar bij hoge inflatie steeds minder van kopen. Zie ook met sparen verlies je geld.
- Mensen met een vast inkomen, zoals sommige gepensioneerden: alles wordt duurder, terwijl het inkomen gelijk blijft.
- Leners met een variabele rente: bij snel stijgende prijzen verhogen centrale banken vaak de rente, waardoor lenen duurder wordt.
- Kredietverstrekkers met een vaste rente: ze krijgen hun geld terug als het minder waard is.
Voor- en nadelen van inflatie
Een beetje inflatie wordt vaak als gezond gezien: als geld langzaam minder waard wordt, is er een prikkel om nu uit te geven of te investeren in plaats van geld op te potten. Dat kan de economie stimuleren. Inflatie bevordert ook risicovollere investeringen, omdat bedrijven en beleggers een hoger rendement zoeken dan de inflatie. Inflatie is dus niet voor iedereen vervelend.
Hoge en wisselende inflatie brengt wel grote kosten met zich mee. Bedrijven, werknemers en consumenten moeten bij elke beslissing rekening houden met stijgende prijzen, wat onzekerheid toevoegt. Ook een lage, stabiele inflatie verstoort de economie enigszins: nieuw geld komt eerst bij bepaalde partijen terecht en drijft eerst de ene prijs op en later de andere. Dit heet het Cantillon-effect. Daardoor veranderen ook de verhoudingen tussen prijzen, lonen en rendementen. Economen van de Oostenrijkse school zien dit zelfs als een belangrijke oorzaak van conjunctuurcycli.
Hoe wordt inflatie beheerst?
De centrale bank van een land is verantwoordelijk voor het beheersen van de inflatie, via het monetaire beleid: de rente en de groei van de geldhoeveelheid. Voor de eurozone is dat de Europese Centrale Bank, in de Verenigde Staten de Federal Reserve (Fed). De Fed streeft naar prijsstabiliteit, maximale werkgelegenheid en een gematigde lange rente. Een stabiel en voorspelbaar inflatieniveau, rond de 2% per jaar, helpt bedrijven en huishoudens om te plannen.
In uitzonderlijke tijden nemen centrale banken uitzonderlijke maatregelen. Na de financiële crisis van 2008 hield de Fed de rente bijna op nul en kocht ze op grote schaal obligaties op (kwantitatieve versoepeling). Critici verwachtten een sterke stijging van de inflatie, maar die bleef in de jaren daarna laag, onder meer omdat de recessie zelf een sterk deflatoire werking had. Ook de ECB voerde kwantitatieve versoepeling en zelfs een negatieve rente in, uit vrees voor deflatie en stagnatie in de eurozone.
Hoe gaan beleggers om met inflatie?
Inflatie is vrijwel onvermijdelijk. Beleggers kijken daarom naar bezittingen die historisch gezien de inflatie konden bijhouden. Een overzicht, zonder dat dit een aanbeveling is:
- Aandelen: op lange termijn zijn aandelenkoersen historisch gezien vaak harder gestegen dan de inflatie, maar op korte termijn kunnen ze ook flink dalen.
- Inflatiegeïndexeerde obligaties, zoals Amerikaanse Treasury Inflation Protected Securities (TIPS): de hoofdsom stijgt mee met de inflatie. Ze zijn er ook in de vorm van een beleggingsfonds of ETF.
- Goud en grondstoffen: worden vaak gezien als bescherming tegen inflatie, al blijkt dat uit historische data niet altijd het geval.
- Vastgoed en REIT's: huren en vastgoedwaarden bewegen vaak (deels) mee met de inflatie. Zie ook wat doet inflatie met vastgoed.
Bij de keuze tussen sparen of beleggen speelt inflatie dus een rol. Een buffer op een spaarrekening blijft belangrijk; hoeveel geld je moet sparen hangt af van je situatie. Beleggen brengt risico's met zich mee: je kunt (een deel van) je inleg verliezen. Lees meer over beginnen met beleggen of sparen voor je pensioen.
Extreme voorbeelden: hyperinflatie
Omdat vrijwel alle munten fiatgeld zijn, kan de geldhoeveelheid om politieke redenen snel stijgen. Het bekendste voorbeeld is de hyperinflatie in de Duitse Weimarrepubliek begin jaren twintig. Duitsland moest na de Eerste Wereldoorlog herstelbetalingen doen die niet in Duitse marken konden worden voldaan. Het land drukte papiergeld bij om vreemde valuta te kopen, waardoor de mark in hoog tempo devalueerde. Mensen gaven hun geld zo snel mogelijk uit, wat de prijzen verder opdreef, tot bankbiljetten vrijwel waardeloos waren. Vergelijkbare situaties deden zich voor in Peru rond 1990 en in Zimbabwe in 2007-2008.
Veelgestelde vragen
Wat veroorzaakt inflatie?
Er zijn drie hoofdoorzaken. Bij vraag-pull inflatie is de vraag groter dan wat er geproduceerd wordt, waardoor prijzen stijgen. Bij cost-push inflatie stijgen de productiekosten en verhogen bedrijven hun prijzen. Bij ingebouwde inflatie (de loon-prijsspiraal) vragen werknemers hogere lonen om de stijgende kosten bij te houden, waarna bedrijven hun prijzen verhogen.
Is inflatie goed of slecht?
Te veel inflatie is schadelijk voor een economie, maar te weinig (of deflatie) ook. Veel economen pleiten voor een lage tot matige inflatie van ongeveer 2% per jaar. Hogere inflatie is nadelig voor spaarders; schuldenaren kunnen er juist van profiteren.
Wat zijn de gevolgen van inflatie?
Daalt door inflatie de waarde van een munt, dan worden exportproducten goedkoper voor het buitenland en importproducten duurder. Hogere inflatie kan de bestedingen aanjagen, omdat mensen kopen voordat de prijzen verder stijgen. Spaarders zien de reële waarde van hun spaargeld afnemen.
Dit artikel is algemene educatie en geen persoonlijk beleggingsadvies.